Blog Ledenwijsheid - Margriet de Roos (april 2021)

“Never let a good crisis go to waste“ (W. Churchill)

Dank je wel Marlies, voor de mooie vraag om een bijdrage te schijven voor Ledenwijsheid. Je bent benieuwd hoe professionele autonomie speelt in deze tijd en wat we daarin kunnen leren van elkaar.

Corona bood mij de mooie kans om me verder te verdiepen in een thema wat me na aan het hart ligt: professionele autonomie- en in het bijzonder hoe deze beter benut kan worden in het jeugddomein.

Professionele autonomie in het jeugddomein: van wie is dit vak?
Als jeugdzorgwerker heb ik ervaren hoe ik steeds meer klem kwam te zitten tussen wat moest en wat mijn vak van me vroeg. Dat vond ik lastig omdat ik impliciet gevraagd werd een stuk van mijn drive - het van betekenis willen zijn voor de ander -los te laten, al wilde ik dat niet. Ik las later dat dit door Hanson (1995) wordt omschreven als een ‘oerconflict’ tussen de organisatie en de professionals. Waar de organisatie stuurt op controle en beheersing, willen professionals diezelfde sturing en beheersing vermijden, zeker als dat niet strookt met wat zij voor de cliënt nodig vinden. Dat was een bewustwording van wat er vrat aan mijn gevoel van zingeving.

Volgens Winters (2020) is professionele autonomie: “de professionele zelfstandigheid waarbij de vakbekwame professional werkt volgens zijn beroepsstandaard, handelingsruimte heeft om beslissingen te nemen binnen de kaders van de vraag van de client, de beroepsstandaard, wet- en regelgeving en de functie-eisen van de organisatie.”

Deze professionele autonomie vraagt kritische reflectie op de kaders die je geboden worden. Het geeft je ruimte om te doen wat binnen de verschillende kaders kan - en soms daarbuiten - maar die vrijheid gaat hand in hand met verantwoordelijkheid;  je moet wel kunnen uitleggen waarom je doet wat je doet. Daarnaast vraagt het ook om een gelijkwaardiger positie in te nemen t.a.v. de organisatie, die niet altijd strookt met de gevoelde positie als professional; hier laat dit ‘oerconflict’ zich gelden.

Iets wat moet- of iets wat er toe doet?
In mijn dagelijkse praktijk als trainer en intervisor binnen het jeugddomein kom ik vaak tegen dat professionals denken weinig tot geen invloed te hebben. Wanneer de organisatie stelt dat “iets moet” volgen de professionals vaak het gestelde, ook wanneer ze er zelf over twijfelen. Veelal zijn ze “opgevoed” tot plichtsgetrouwe professionals, die hebben geleerd dat er verschillende protocollen gevolgd moeten worden, lijstjes moeten worden afgevinkt en formulieren - soms tot in den treure - ingevuld moeten worden. Plichtgetrouwe professionals krijgen zo niet de kans om naar de ethische normen van het vak te handelen en op de dynamiek van het werk in te spelen. De realiteit op de werkvloer is nu eenmaal dat niet alles is te protocolleren en te voorzien. Juist in dit vak zijn aandacht en contact van wezenlijk belang, in plaats van lijstjes af te moeten werken.

Wouter Hart (2012) betoogt dat het werken vanuit de systeemwereld, gericht op beheersing, het gevoel van eigenaarschap bij de professional verkleint; waar professionele autonomie juist gaat over een gevoel van eigenaarschap, wat cruciaal is voor het bevlogen werken aan goede dienstverlening. 

Professionele autonomie is een actueel thema binnen de professionalisering van het jeugddomein. Er zijn nog weinig tools voorhanden om deze professionele handelingsruimte concreet vorm te geven. Onze beroepscode ligt hier als onderlegger maar kan effectiever ingezet worden binnen de beroepsgroep. Vaak merk ik in trainingen weerstand tegen de beroepscode; men ervaart het als opnieuw “iets dat moet”- en dat is begrijpelijk in een vak waar al zoveel moet en de werkdruk hoog is. De beroepscode voegt als hulpmiddel kaders toe aan de professionele autonomie. De betrokkenheid in de beroepsgroep is zeker aanwezig om het vak weer toe te eigenen. Om dit te kunnen heeft de beroepsgroep ruimte en beweging nodig. Ik zie toewijdde professionals die dit graag willen en zoeken naar een weg die hen kan helpen.  

De tijd is rijp om het samen te gaan doen
Ik heb de afgelopen jaren veel expertise opgebouwd ten aanzien van dit thema. Voor mij is dat de bedoeling; zingeving van mijn werk, iets brengen wat ertoe doet. Corona bood extra ruimte om hiervoor handzame tools te ontwikkelen, samen met een collega. Een training, workshop of een lezing is interessant, maar het levert slechts 10% van de kennis op, aldus Arets, Heijnen & Jennings (2015). Het samen in de praktijk doen levert het hoogste leerrendement op, namelijk 70%.  Wanneer je het hebt over professionele autonomie; dat moet je vooral dóen en leren hoe je dat onderbouwt. Leren om datgene te doen waarvoor je eigenlijk het vak bent ingegaan; de cliënt voorzien van goede en passende hulp. Zodat je werkelijk van betekenis kunt zijn en vanuit je professionele autonomie de beste afwegingen kunt maken.
Corona was voor mij een soort reset die mij de kans bood om te kijken naar wat voor mij belangrijk is. Wat ik in de wereld wil zetten. Het heeft mij de ruimte gebracht om te doen wat ik al heel lang en graag wilde: een prachtige opleiding ontwerpen die aansluit bij mijn bedoeling: iets willen betekenen in het versterken van professionals in hun zelfstandigheid en het weer toe-eigenen van hun waardevolle vak!

Margriet de Roos
Naar LVSC-websiteprofiel van Margriet >>

Blog Ledenwijsheid - Margriet de Roos